Berichten

, ,

Zittende leefstijl leidt tot meer vet

overgewichtNieuw onderzoek laat echter zien dat je als bankhanger onbewust kilo’s er bij werkt en niet alleen maar omdat je beter had kunnen bewegen. Volgens Amit Gefen onderzoeker aan de Tel Aviv University moedigt inactiviteit het lichaam aan om meer vetcellen te vormen. Voorlopers van vetcellen worden sneller omgezet in vet en produceren ook meer vet tijdens lange periodes zitten of liggen. “Obesitas is meer dan een verkeerde verhouding in calorieëninname en verbruik. De cellen spelen een belangrijke rol. En ook onze zittende leefstijl”, aldus Gefen. Spieren Gefen bestudeerde bedlegerige patiënten en mensen in een rolstoel. Hieruit bleek dat spieratrofie vaak voorkomt als gevolg van inactiviteit. Met behulp van MRI-scans stelde hij samen met zijn onderzoeksteam vast dat spiermassa werd overgenomen door vetcellen. In het laboratorium bootsten de onderzoekers deze situatie na. Ze bestudeerden de rijping van verschillende cellen. De helft van de cellen werden ‘blootgesteld’ aan een langere periode van inactiviteit. De andere helft diende als controle. Tegen de tijd dat de cellen ‘volwassen’ waren, bleek dat de inactieve cellen 50 procent meer vet bevatten dan de controlegroep. “Veel mensen hebben een veel te inactieve leefstijl.”, vertelt Gefen. “Zelfs mensen die gezond eten zullen meer vet krijgen als zij over een langere periode inactief zijn. Daar moeten we meer rekening mee houden.”

Bron: Nu.nl

, , ,

Laat en veel te dik naar de diëtist

Diëtisten zien steeds meer mensen met ernstig overgewicht, met daarbij vaak al meerdere gezondheidsproblemen. Deze mensen hadden veel eerder voor advies kunnen komen om bijvoorbeeld gewrichtsklachten, hart- en vaatziekten en diabetes voor te zijn.

De Nederlander is nog niet uitgegroeid. Steeds meer mensen zijn te dik, inmiddels 47%. 11% kampt zelfs met ernstig overgewicht. Dit is terug te zien bij de cliëntèle van de vrijgevestigde diëtisten. De diëtisten zien steeds meer mensen met ernstig overgewicht, zo blijkt uit de cijfers van de Landelijke informatievoorziening Paramedische Zorg (LiPZ) diëtetiek. NIVEL-onderzoeker Ilse Swinkels: “Hoewel diëtisten veel breder onderlegd zijn en veel meer in huis hebben aan kennis en adviezen, besteden ze hun tijd vooral aan de strijd tegen ernstig overgewicht.”

Meerdere jaren op rij
De trendcijfers diëtetiek, cijfers van meerdere jaren op rij, laten zien dat het aantal mensen dat de diëtist bezoekt vanwege overgewicht in twee jaar tijd is gestegen van 68 naar 73%. Ongeveer een kwart van de mensen komt vanwege diabetes, 17% vanwege een te hoog cholesterol en 15% vanwege een hoge bloeddruk. De helft van de cliënten heeft meerdere aandoeningen. De combinatie overgewicht en diabetes steeg van 18 naar 21%.

Extreem zwaar
Opvallend is dat het vooral mensen met ernstig overgewicht zijn die naar de diëtist gaan, mensen met een gemiddelde Body Mass Index (BMI) – het gewicht gedeeld door lengte maal lengte – van boven de 32. Dat is bijvoorbeeld een man van 1,76 meter en honderd kilo. Die is al zo’n 25 kilo te zwaar.

Samenhang
Swinkels: “Ernstig overgewicht hangt samen met tal van chronische aandoeningen. Niet alleen met gewrichtsklachten, hart- en vaatziekten en diabetes, maar ook met bepaalde vormen van kanker. Als mensen in een eerder stadium behandeld worden, als er dus nog geen sprake is van ernstig overgewicht, verhoogt dat de kans van slagen van de behandeling. Bovendien wordt de kans op dergelijke chronische aandoeningen kleiner. Een gewichtsverlies van 5 tot 10% levert al een duidelijke gezondheidswinst op. Uit LiPZ-onderzoek blijkt dat mensen gedurende hun behandeling niet alleen afvallen, maar ook meer gaan bewegen. Dat zijn belangrijke resultaten in de strijd tegen overgewicht.”

Basisverzekering
Per 1 januari verdwijnt diëtetiek uit de basisverzekering. “Dan zullen veel van deze mensen, hoe hard ze het ook nodig hebben, de keuze maken niet meer naar de diëtist te gaan”, vreest Swinkels. “Of ze gaan nóg later, met een nog hoger BMI. Een goede behandeling is bovendien van lange duur, met begeleiding om het lagere gewicht te behouden. Als diëtetiek niet meer wordt vergoed vanuit de basisverzekering, zal het ook moeilijker worden patiënten langdurig te begeleiden.”

Bron: Nivel

, ,

Nederlanders eten te weinig gezonde voeding

Veel Nederlanders eten nog steeds te weinig fruit, groente, vis en vezel en voldoen daardoor niet aan de richtlijnen goede voeding. Wel is het type vet in de voeding verbeterd, doordat vooral de hoeveelheid transvetzuren in voedingsmiddelen is afgenomen. Het aandeel verzadigde vetzuren in de voeding is echter nog ongunstig en overgewicht komt frequent voor. Dit blijkt uit recente voedselconsumptiegegevens van het RIVM in opdracht van het ministerie van VWS. Hiervoor is tussen 2007 en 2010 in kaart gebracht wat kinderen en volwassenen consumeren.

Een gezond voedingspatroon is van belang om overgewicht en chronische ziekten tegen te gaan. Veel voorkomende aan voeding gerelateerde ziekten zijn hart- en vaatziekten, verschillende vormen van kanker, overgewicht en ouderdomsdiabetes. Met de verkregen kennis van het huidige consumptiepatroon kan een gezondere voeding worden gestimuleerd. Dit kan via veranderingen in het voedselaanbod en het voedingsgedrag.

Uit het onderzoek dat 5 oktober aan VWS is aangeboden blijkt bijvoorbeeld dat van de kinderen (vanaf 7 jaar) slechts 1 tot 2 procent voldoende groente eet; bij volwassen is dat maximaal 14 procent. Ook de fruitconsumptie ligt ver onder de aanbevolen hoeveelheid: afhankelijk van de leeftijdsgroep 3 tot 26 procent. De aanbeveling om twee keer per week vis te eten wordt ook door verreweg de meeste Nederlanders niet gehaald. Verder voldoet 95 tot 99% van de bevolking (afhankelijk van leeftijdsgroep) aan de aanbeveling voor transvetzuren. Voor verzadigde vetzuren is dit slechts 8 tot 14%. Het onderzoek laat ook zien dat volwassenen meer dan kinderen/jongeren groenten, fruit en vis consumeren. Jongeren kiezen vaker voor melkprodukten, suiker, snoep, koek en gebak dan volwassenen.

Uit de peiling onder ruim 3.800 mensen blijkt ook dat een deel van de bevolking minder vitamine A, B1, C en E, magnesium, kalium en zink binnen krijgt dan wordt aanbevolen. Onderzoek is nodig naar de effecten hiervan op de gezondheid. Verder wordt het advies aan specifieke leeftijdsgroepen voor hogere innames van foliumzuur (voor vrouwen die zwanger willen worden), vitamine D (voor senioren), ijzer (voor vrouwen in de vruchtbare leeftijd) en calcium (voor adolescenten) lang niet altijd opgevolgd. Dit onderschrijft de adviezen van de Gezondheidsraad aan genoemde groepen om foliumzuur- en vitamine D-supplementen te slikken. Voor de lage inname van ijzer en calcium zijn de gezondheidsconsequenties onduidelijk. Hiernaar is meer onderzoek nodig.

Deze voedselconsumptiepeiling bevat meer gedetailleerde gegevens dan de vorige bevolkingsbrede peiling in 1997/1998. Doordat destijds een andere methodiek werd gebruikt dan bij de voedselconsumptiepeiling 2007-2010 is het niet goed mogelijk beide studies met elkaar te vergelijken. De actuele gegevens kunnen worden gebruikt als ondersteuning van beleid op het gebied van gezonde voeding en veilig voedsel, om het voedingsmiddelenaanbod te verbeteren, bij voedingsvoorlichting en binnen het voedingsonderzoek.

Bron: RIVM

,

Lagere hormonen door vetverlies

Deelname aan een bewegingsprogramma verlaagt de concentratie van geslachtshormonen alleen bij vrouwen die lichaamsvet verliezen. Onderzoekers van het UMC Utrecht en het RIVM schrijven dit in het tijdschrift Journal of Clinical Oncology van 6 juli. Een hoge concentratie geslachtshormonen na de overgang vergroot de kans op borstkanker.

Aan het onderzoek van dr. Evelyn Monninkhof van het Julius Centrum van het UMC Utrecht in samenwerking met het RIVM deden bijna tweehonderd niet-sportieve vrouwen uit de regio Utrecht mee. De helft volgde een jaar lang een bewegingsprogramma op een sportschool, de andere helft mocht de leefstijl onveranderd laten. Het programma bestond uit ‘aerobics’ en ‘spinning’ gecombineerd met spiertraining en daarnaast wandelen en fietsen. De vrouwen verkeerden allemaal na de overgang en waren tussen de 50 en 69 jaar oud.

Monninkhof vergeleek de geslachtshormoon concentraties voor, tijdens en na het onderzoek. Het volgen van het bewegingsprogramma bleek géén effect te hebben op de hormoonspiegels in de hele groep. Sportende vrouwen hadden na een jaar geen lagere hormoonconcentraties dan de controle-vrouwen, en daarmee ook geen lager risico op borstkanker.

Maar Monninkhof zag wel een effect van het bewegingsprogramma bij vrouwen die waren afgevallen. Bij vrouwen waar de hoeveelheid lichaamsvet met meer dan twee procent was gedaald, waren de concentraties geslachts hormonen lager in de bewegingsgroep dan in de controlegroep. Daarnaast liet de studie bij alle vrouwen zien dat bij afvallen hormoonspiegels daalden. Verlies aan lichaamsvet is overigens niet hetzelfde als gewichtsverlies in het algemeen.

Het is wereldwijd pas de tweede keer dat wetenschappers het effect van een trainingsprogramma op geslachtshormonen onderzoeken. Vrouwen die regelmatig lichamelijk actief zijn, hebben naar schatting twintig tot veertig procent minder kans op borstkanker dan vrouwen die weinig lichamelijk actief zijn. Bij vrouwen na de menopauze is overgewicht een risicofactor. Geslachtshormonen vormen de meest waarschijnlijke schakel tussen beweging, overgewicht en het risico op borstkanker. De vraag blijft of bewegen alleen werkt doordat vrouwen (meer) afvallen of dat bewegen een extra effect heeft op het borstkankerrisico. Borstkanker is de meest voorkomende vorm van kanker bij vrouwen, een op de negen vrouwen krijgt het.

Bron: Fysioweb